Protestantse Gemeente te Weesp en Driemond

Kerkblad Onderweg

Logo Wij staan vermeld

Aanmelden Nieuwsbrief

captcha 

7 maart 2021

Gemeente van Jezus Christus,
 
16 november 1968. In Tallin, Estland, gaat op deze avond het muziekstuk Credo van Arvo Pärt in première.
Dat klinkt onschuldig, maar dat was het niet.
Estland is op dat moment in handen van de toenmalige Sovjet-Unie. Het communisme is de opgelegde en enig toegestane ideologie, en alle andere levensovertuigingen zijn verboden.
Het land dat sinds 1526 een Lutherse identiteit had, moest die identiteit loslaten onder dwang.
 
Arvo Pärt, een bekende hedendaagse componist, vooral bekend van Spiegel im Spiegel, werd in 1935 in Estland geboren. Door de muziek die hij schreef zocht hij zijn eigen weg van protest tegen het Sovjetregime, waardoor hij het regelmatig met hen aan de stok kreeg.
 
Met als diepte – of hoogtepunt, die 16e november 1968.
 
Op die avond klonk zijn Credo, belijdenis, met als openingswoorden: Ik geloof in Jezus Christus. En daarna de tekst uit Mattheus 5: 38 en 39: Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand. Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan. En daarna klinkt weer het credo: Ik geloof.
 
Het was een regelrechte aanval op het communistische systeem. Het stuk was door de censuur geglipt, tot grote schrik van de autoriteiten achteraf.
Want wat er die avond gebeurde, was een profetisch protest die iedere aanwezige kippenvel bezorgde.
Ik lees jullie voor wat een ooggetuige achteraf beschreef: citaat uit Baltische zielen p. 327, 328
 
Tot zover dit citaat uit het boek Baltische zielen van Jan Brokken.
 
De volgende dag was er een groot probleem. Arvo Pärt werd ter verantwoording geroepen en het muziekstuk werd toegevoegd aan de lijst van verboden composities. Het werd hem daarna min of meer onmogelijk gemaakt zijn werk uit te voeren en hij vertrok uiteindelijk met zijn gezin naar het Westen, maar woont inmiddels weer in Estland.
 
Zijn daad was een daad van verzet, een daad van protest die een enorme indruk maakte op de aanwezigen in die zaal. Een explosie van alle opgekropte emoties met als hoogtepunt zijn belijdenis: Ik geloof in Jezus Christus. Midden in een strak regime waar Jezus geen plaats mocht hebben barst het uit zijn voegen, hij kan het niet langer houden: dit ben ik, ik geloof in Jezus Christus.
 
Het muziekstuk duurt 13 minuten, en is echt heftig. Ik laat het nu niet horen, maar zoek het straks maar op en neem de tijd om te luisteren.
Het is indrukwekkend.
 
Een heftige daad van verzet die niet onopgemerkt kán blijven.
Een moment van openbaring en van het tonen van je ware identiteit.
Een bevrijding.
 
Dat is ook precies wat er gebeurt op die dag in de tempel in Jeruzalem als Jezus binnenkomt.
Die Jezus die wij toch eerder zien als een rustige, liefdevolle man, duidelijk, maar toch ook altijd redelijk. Die Jezus, laat hier een hele andere kant van zichzelf zien.
 
Opvallend is dat de evangelist Johannes deze actie van Jezus aan het begin van zijn evangelie plaatst, terwijl de andere evangelisten het meer richting het einde plaatsen, waarmee de tempelreiniging als het ware de druppel is waarna de autoriteiten zich gaan beramen op een plan om van Jezus af te komen.
Johannes plaatst het echter aan het begin, na het wonder van de wijn op de bruiloft te Kana.
Het zou kunnen dat Jezus het twee keer heeft gedaan, zo'n tempelreiniging, maar meer voor de hand liggend is dat Johannes zijn eigen keuzes heeft gemaakt hoe hij het verhaal van Jezus wilde vertellen. Voor hem was dit verhaal een belangrijke manier om te laten zien wie Jezus was.
 
Want het is te makkelijk om te zeggen dat Jezus plotseling zijn geduld verliest en uitbarst in woede, alsof hij zichzelf even niet meer in de hand had.
Nee, deze actie was weloverwogen en met een doel.
Dat zien we aan zijn antwoord.
 
Hij wist wat hij deed, want hij wilde duidelijk maken wie hij was: Jezus, niet alleen zoon van mensen, maar de Zoon van God.
Jezus, de weg door wie ieder die maar wil tot God, zijn Vader kan komen.
Zijn lichaam was de tempel, en de tempel was dé plek waar men God kon ontmoeten. Een tempel van hout en steen kon afgebroken worden, verwoest, wat ook zou gaan gebeuren, maar de tempel als het lichaam van Jezus zelf was onverwoestbaar. Zoals ze later zouden zien en begrijpen.
De tempel als plaats waar men God kon ontmoeten. De tempel was de plek waar de gelovigen minimaal een keer per jaar heen gingen. En als ze daar waren brachten ze offers, maar omdat ze uit andere gebieden kwamen moest eerst hun geld gewisseld worden. En dat is wat daar gebeurde op het tempelplein. In de andere evangeliën spreekt Jezus van een rovershol, waarmee hij waarschijnlijk bedoelde dat dat wisselen niet tegen de juiste tarieven ging, maar mensen op die manier geld werd afgetroggeld. In het evangelie van Johannes staat dat niet.
Het is ook niet zo duidelijk waarom Jezus nou zo boos wordt.
Is het vanwege de corruptie?
Is het misschien ook vanwege het bezet houden van het tempelplein, terwijl dat de enige plek is waar niet-joden mochten komen, en hielden ze zo dus de plek bezet voor alle mensen om God te ontmoeten?
 
De weg naar God is in ieder geval niet vrij. En dat maakt Jezus vol van heilige woede. Ook de woede van God. Want van God wordt gezegd dat hij traag is in het kwaad worden. Maar dat wil niet zeggen dat hij nooit kwaad wordt. Soms is het genoeg, soms moet er een grote daad van verzet zijn om duidelijk te maken wat voor hem het allerbelangrijkste is.
En dat is dat niemand gehinderd mag worden om tot God te komen.
 
De discipelen halen psalm 69 aan, waar staat: de hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd. De hartstocht van Jezus speelt op.
En die hartstocht, of ook hartstocht in het algemeen, kan zowel een beetje beangstigen als een verlangen oproepen.
Een verlangen naar passie, naar gedrevenheid, naar een doel om voor te leven.
De hartstocht van Jezus, de liefde voor de mensen, voor u, voor jou en mij, dreef hem zijn hele leven. Zorgde ervoor dat hij deed wat hij deed, zei wat hij zei. Van een tedere aanraking en genezing, tot een hardhandige ruiming van de tempel.
 
Jezus was zowel van de kleine als van de grote, opmerkelijke acties. Niet alleen deze tempelreiniging, maar ook het binnenkomen van Jeruzalem op een ezel, heel opmerkelijk en opvallend, maar ook: het instellen van het avondmaal.
 
Want dat lichaam waarvan Jezus zegt: dit is de tempel, door mij kun je de Vader ontmoeten. Je kunt hem afbreken maar hij zal weer heel worden, dat lichaam wil Jezus delen met zijn vrienden, zijn leerlingen, met ieder die in hem gelooft, met ons.
 
We zijn op weg naar Pasen, vandaag, aan het begin van zijn optreden in het evangelie van Johannes, laat Jezus zien dat het hem ernst is. Zijn kloppend hart voor de mensen drijft hem tot de dood.
 
Nee, Arvo Pärt is Jezus niet, maar ik durf wel te zeggen dat zijn daad van verzet in de lijn staat van wat Jezus daar deed in de tempel.
De weg tot God was niet vrij, maar werd onderdrukt door het communistische regime. Arvo Pärt breekt de hemel open die avond, en iedere aanwezige wordt aangevuurd door de hartstocht van het credo: Ik geloof in Jezus Christus. Ze worden bevrijd, al is het in eerste instantie alleen nog in hun hart en moet de fysieke bevrijding nog komen. Maar het zaadje is geplant en de weg is weer open.
 
Dat wij altijd zullen blijven waken om de toegang tot God voor iedereen open te houden.
Dat wij als kerk niemand in de weg zullen zitten.
Dat wij van mens tot mens de ander niet hinderen.
Dat, mocht dat toch het geval zijn, wij niet bang zullen zijn om op te staan als daad van protest en de reiniging in gang zullen zetten.
 
Maar ook: dat wij nooit zullen vergeten dat ook voor ons die weg open is.
Dat Jezus ons de hand reikt om de weg tot God te gaan.
Dat zijn armen wijd open zijn om ons te ontvangen.
Dat we mogen delen in de eindeloze liefde van zijn leven, toen Jezus ook ons zijn eigen lichaam gaf.
Dat we ons dit zullen herinneren, straks in de Stille Week, als we, net als de leerlingen, moeten toekijken hoe Jezus zijn zware weg zal gaan. Tot het einde. En verder.
 
Amen