Het doel van ons gemeente-zijn is dat we als gemeente(leden) groeien in de verborgen omgang met God, groeien in de onderlinge gemeenschap, samen één zijn in veelkleurigheid, verbonden met, gastvrij naar en dienstbaar aan de samenleving en de wereld.

4 april 2010, Pasen

lezingen:
Exodus 14:15-15:1a
Johannes 20:1-18

Gemeente van de opgestane Heer,

Het is een gewaagde afwisseling van licht en donker, in het paasevangelie en ook in de lezing uit Exodus bij het volk Israel. Egypte is net ontvlucht, met een woestijnreis in het vooruitzicht en nu voor zich de zee – het volk zit klem. Het hele verhaal uit Exodus is erop gericht duidelijk te maken wie God is, dat God de Heer is van de bevrijding, bevrijding tot een menswaardig leven en niet van een leven als slaaf in bezit van een ander. Deze God komt alle macht en majesteit toe.

Het licht & donkerspel zit ‘m in de wolkkolom die het volk Israel van de Egyptenaren scheidt. Aan de ene kant lichtgevend en beschermend, aan de andere kant volledige duisternis en grote verwarring. Er worden veel legertermen gebruikt, en toch is er geen gewapend treffen. Niemand verliest het leven door wapens, ook de Egyptenaren niet. Gods strijd is geen gewapende strijd.

Vandaag zingt het volk als zij aan de overzijde zijn. Voorgegaan door Mozes bezingen zij wat er gebeurd is, en zijn ze God dankbaar. Zoals we straks zullen zingen:“God is, wonder boven wonder, met ons tot in eeuwigheid.”

Het paasevangelie begint in alle vroegte, als het nog donker is. Donker is het in de benarde situatie van de gemeente, waar Johannes voor schrijft. Kan het geloof in Jezus in dit duister hoop bieden? Is het mogelijk om in Jezus iets te herkennen van de manier waarop God met mensen omgaat?

Donker is het bij het graf. Wat zoekt Maria bij het graf? Alle anderen zijn allang weggegaan. Waarom?
Omdat er niets meer te beleven valt? Uit teleurstelling? Alles als één grote desillusie? Het valt op dat Maria bij het graf blijft en er ook weer terugkomt. Ze wil Jezus vasthouden zoals ze hem gekend heeft, in zijn aardse gestalte. Ze gaat niet naar het graf om het lichaam van Jezus te zalven,  zoals de andere evangelisten over de vrouwen schrijven. Maria gaat niet naar het graf om te kijken of Jezus inderdaad is opgewekt, maar ze gaat om te rouwen bij het graf. Johannes schildert ons Maria in haar vasthoudendheid, hier bij het graf.

Als zij ziet dat de steen voor het graf weg is, gaat ze snel terug naar Simon Petrus en de andere discipel. ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en wij weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ (Joh. 20:2) Ze biedt de meest logische verklaring van de feiten: iemand heeft Jezus’ lichaam uit het graf gehaald en het is niet meer te vinden. Maria’s verwarring staat voor het wereldschokkende van het lege graf. Totdat de gemeente de verrezen Jezus werkelijk ontmoet, is met geen pen te beschrijven hoe het lege graf geduid kan worden. Maria interpreteert de weggerolde steen als grafschennis, niet als een verwachte verrijzenis in het hier en nu.

Vervolgens rennen de twee mannen op een drafje naar het graf. We zien ze hier rennen op een schilderij van Eugène Burnand uit 1898, één in een wit gewaad, één in een donker gewaad. Wie is wie? Ik denk de beide discipelen te kunnen identificeren aan hun handen. Petrus wijst met zijn vinger vooruit om het initiatief alweer over te nemen en met zijn andere hand houdt hij zijn hart vast. Zo van…straks ontmoet ik Hem weer die ik verloochende? Zou Hij echt opgestaan zijn.¬ Zou Hij mij nog willen aanzien? Die blik in de ogen van Petrus! De ander met zijn devoot gevouwen handen is ‘de leerling die Jezus liefhad’ vaak Johannes genoemd. Hij heeft weer een heel andere uitdrukking op zijn gezicht. Het lijkt net of hij alles begrijpt en zich realiseert dat de opstanding nog waar is ook. Hij ziet er vermoeid uit, ondanks alle twijfel volhardt hij. Wat een schilderij!

Het verhaal is realiteit. Christus is echt opgestaan! Wist je dat wel? Je ziet het aan de blik van Petrus en Johannes. Het kan zo maar zijn dat hij weer voor je neus staat. Ja ja…kijk maar een beetje ongelovig en houd je hart maar vast. Het is een realiteit die nooit went, maar wel dichterbij brengt.
Zou dat allemaal door de hoofden van deze twee mannen spelen als zij al rennend naar het graf gaan?

De andere leerling is er het eerste, gaat echter pas in tweede instantie het graf in. Dan komt hij tot geloof, stapje voor stapje ontdekt hij wat er gebeurd is, en herkent hij de betekenis ervan. Over Petrus, de hardloper, wordt niets gezegd. Hij duikt als het ware het graf in, ziet van alles, maar de betekenis ervan doorgronden doet hij niet, nóg niet.

Johannes de evangelist zet Maria neer als de kroongetuige van wat Jezus’ opstanding precies inhoudt. Dankzij haar vasthoudendheid is Maria degene die ons leert dat het niet om vast-houden gaat. Ook Maria gaat terug naar het graf. Bij het graf, als de mannen weer vertrokken zijn, ontmoet zij twee engelen. Ook hen stelt zij haar vraag, nu persoonlijker ingekleurd: ‘ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem naartoe hebben gebracht’.(Joh. 20:13)

Antwoord krijgt ze niet. Ze draait zich om en staat oog in oog met de tuinman. Een tafereel dat hier is geschilderd door Fra Angelico uit de 15e eeuw. Wat de hoorder al weet, weet Maria niet: de man die zij voor de tuinman houdt, is Jezus. Met een schoffel over zijn schouder verwijzend naar Maria’s  vergissing staat daar Christus, gekleed in een wit gewaad.

‘Waarom huil je? Wie zoek je?’ (Joh. 20:15) Dit zijn de eerste woorden die de verrezen Jezus spreekt. De vraag ‘wie zoek je’ is kenmerkend voor het leerling-zijn van Jezus: Jezus werkelijk willen zoeken en volgen. Het mag allemaal zo wezen, maar Jezus’ vragen komen niet bij Maria binnen. Haar harde werkelijkheid is het lege graf en die tuinman die misschien wèl een antwoord weet op háár vraag: ‘heeft u hem soms ergens neergelegd?’ (Joh. 20:15)

Alles verandert als Jezus Maria bij haar naam noemt. Je naam,de kortste samenvatting van je gehele bestaan. ‘Maria!’ Maria draait zich om en ziet Jezus. Ze keert zich om naar de toekomst toe. Nu ziet zij Jezus de Levende in volle glorie voor zich staan. De woorden van de ‘tuinman’ veranderen Maria’s leven voor altijd. Vanaf nu verstaat zij het lege graf als een getuigenis van kracht en de mogelijkheid van leven. Jezus roept met het noemen van haar naam Maria op tot nieuw leven en zet haar daarmee aan tot beweging.

Deed ze vervolgens een poging om hem te omhelzen? Jezus weerhoudt haar ervan – we zien de afwerend rechterhand. ‘Houd me niet vast, Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, ook jullie God.’ (Joh 20: 17)

Geen aanraking, niet meer vasthouden, maar een andere vorm van volgen, je verbinden aan zijn leefwijze, zijn wegwijzers, zijn vader, die ook onze vader is van de verrezen Heer. Maria komt in beweging, staat op eigen benen. Ze hoort het licht! Maria’s roepen betekent zending. Roeping en zending samen betekenen opstanding.

Zo gaat Maria naar de discipelen met de woorden in de mond die als legitimatie van haar apostelschap gelden: ‘Ik heb de Heer gezien’ (Joh. 20:18).
Amen