Het doel van ons gemeente-zijn is dat we als gemeente(leden) groeien in de verborgen omgang met God, groeien in de onderlinge gemeenschap, samen één zijn in veelkleurigheid, verbonden met, gastvrij naar en dienstbaar aan de samenleving en de wereld.

23 januari 2011

Lezingen:
Jesaja 49:1-7
1 Korintiers 1:26-2:5
Matteus 4:12-23

Een minuut uit het begin van de film ‘Luther’ over het onweer waardoor hij overvallen werd, en waarin hij God de belofte deed monnik te worden als hij het onweer zou overleven.

Zo werd, volgens de overlevering, Martin Luther geroepen, in het onweer. Als hij dit onweer zou overleven, zou hij zich aan God wijden. Hij zou priester worden, tegen de zin van zijn vader in die een juridische carrière voor hem had bedacht. Zijn leven loopt nóg anders dan Luther op dit moment denkt. Roeping gaat met donder en bliksem, afzien en toewijding gepaard. Roeping is niet voor iedereen weggelegd, zou je zo kunnen denken.

‘Ik denk er niet aan, ik pieker er niet over! Zomaar meegaan met iemand die zegt ‘volg mij’ en alles wat ik vast heb, uit mijn handen laten vallen, zonder commentaar.’ Dat was afgelopen maandag in de voorbereidingsgroep het algemene gevoelen naar aanleiding van de evangelietekst. De één ervoer dit iets sterker, de ander wat minder, maar toch. Zo maar alle banden met je familie doorsnijden? Hoe zit het met je verantwoordelijkheid ten opzichte van je gezin? De lijn werd doorgetrokken naar allerlei sektarische groepen die een dergelijk isolement van toetreders en volgelingen vraagt, ja zelfs eist!
Dat gaat ver, té ver!

Nu denk ik dat het in het evangelie van vanmorgen niet exclusief gaat over het volgen van een persoon, ook niet als deze Jezus heet. Het gaat om het volgen van Jezus als belichaming van een boodschap, het goede nieuws van het koninkrijk van de hemel. We zouden er bijna over heen lezen, het staat er in de voorafgaande verzen. Niet de persoon Jezus staat centraal, maar de boodschap die hij zegt èn doet.

Jezus begint zijn openbare optreden met de verkondiging van het goede nieuws, in de geografische kantlijn, de rafelrandjes van het land. Zebulon en Naftali gelden als regio’s waar het ‘dichtgeplakt is met kranten’.We bedachten afgelopen maandag zoiets als Oost-Groningen of het Noord-Holland boven Alkmaar. Die gebieden van de noordelijke stammen die als eersten verdwenen waren in de ballingschap – daar waar de heidenen wonen. Wat moet je daar in Godsnaam!

Jesaja leert ons nu net dat juist dáár een licht opgaat. Daarom begint Jezus in Galilea, zoals na Pasen de leerlingen ook weer teruggaan naar Galilea, waar het allemaal begon, om vandaaruit de beweging richting alle volken uit te breiden. De leerlingen volgen in álles hun meester. Dáár in de marge, in de verbanning, als de verborgen pijl, begint Jezus zijn verkondiging: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij’ (Mt 4,17).

Het koninkrijk van de hemel roept vragen op.Wat is het precies? Wáár is het te vinden? Het koninkrijk van de hemel is niet aan te wijzen met coördinaten, het is geen utopie, of de hemel als locatie van na ons overlijden. Jezus’ oproep van het koninkrijk van de hemel dat nabij is, slaat op een beleid. Een beleid van trouw, mededogen, erbarmen, zeg maar een goddelijk beleid. Hier leven we, hier leven we sámen, conform het goddelijk beleid; hier zijn trouw en gerechtigheid aan de macht, in plaats van machtsmisbruik en uitbuiting, ongelijkheid. Een dergelijk beleid vraagt van ons concretisering – en ga dat maar aan staan! Het vraag om uitvoerders: mensen die het doen. Zij die het doen, dit goddelijk beleid uitvoeren, doen het anders, letterlijk door een andere kant op te gaan, door zich om te keren. Qua houding word je een ander mens. Anders gezegd: Jezus roept op om in een ander perspectief te staan, dát koningschap, dít koninkrijk is nabij. In Jezus vallen persoon en boodschap samen. Jezus is het koningschap van God, in Jezus is God koning op aarde en in de hemel. Wie Jezus volgt, zet zich in voor het koninkrijk van de hemel. Persoon en inhoud gaan hier hand in hand.

Zo komt het koninkrijk van God, het koninkrijk van de hemel naar óns toe, zonder ons toedoen, zonder onze – soms kouwe –drukte, zonder onze verdienste. Het vraagt omkering, een nieuw licht op de zaak, om in Jezus Gods koninkrijk werkelijkheid te zien worden. Is dat nu geloven? Is dat nu roeping als je voor deze zaak ingeschakeld wordt?

Voor deze zaak, voor dit goede nieuws  roept Jezus  twee maal twee broers: Simon Petrus en Andreas, Jacobus en Johannes, met deze vier begint het. Hun afkomst, de netten, hun vader, laten ze achter, de toekomst, de toekomst van God doet er toe. Ze hebben het vertrouwen om er aan te beginnen, zonder precies de route en de uitkomst te weten. Ze hebben geen idee of het wel leuk is, of ze een positieve ervaring aan opdoen. Niets van dit alles. Ze hebben het vertrouwen en ze doen het.

Zo raakt het mij altijd weer als iemand ‘ja’ zegt op de vraag om ambtsdrager te worden: ouderling, diaken of ouderling-kerkrentmeester. Er klinkt een respons op de roepstem vanuit de gemeente, of, zoals we bij de bevestiging zeggen ‘dat het God zelf is die je roept’. Voor minder doen we het niet!

Tegelijkertijd ben ik er als de kippen bij om de roeping niet al te verheven te maken, compleet met ontberingen à la Luther in de film, alsof dat de voorwaarde is. zoiets kan slechts een enkeling vertellen. Dezelfde Luther kon, veel later, beroep en roeping heel dicht bij elkaar houden. Zo oefent de bakker zijn beroep uit door brood te bakken, het is zijn roeping om goede broden te bakken die nog smakelijk zijn ook!

Er klinkt een roepstem, daardoor word jij aangesproken, in jouw eigen hoedanigheid, met alle makken en nukken die jij tot jou maakt. En wat antwoord je dan?

Gelukkig is er dan ook nog Paulus, de apostel met al zijn brieven die hij naar concrete gemeenten stuurt als antwoord op concrete vragen, en die voor ons eeuwen later een heel andere waarde hebben gekregen.Paulus wijst ons fijntjes op de roeping die mensen in geloof mogen ervaren. Juist die mensen die niet geroepen worden om hun voortreffelijkheid als de topdeskundigen en de superexperts. Juist wat aanzien ontbeert, wordt door God uitgekozen en met geestkracht vervuld. Paulus noemt daarbij zijn eigen zwakheid en onzekerheid als voorbeeld, niet uit quasi-bescheidenheid, maar om te laten zien dat God echt zó aan het werk is.

Wat is dan wijs? Wat is dwaas? Ons onderscheid is mogelijk wel eens anders, fundamenteel anders dan hoe God tegen de zaak aankijkt. Het is zo’n God die de gang van zaken totaal op z’n kop zet, tot en met de paradox van het kruis, de God van niet ‘voor wat hoort wat’. Dat gaat volledig tegen de tijdgeest van economisering en een afrekencultuur in. Wie hiertegen wil protesteren, zal van het andere perspectief van Gods rijk van vrede en recht moeten vertellen. Doe het met liefde als houding van binnenuit, voor de mens tegenover je, in wie God voor jou even oplicht, de mens met wie God, net als met jou, een weg gaat.

Jezus begint met vissers, niet met geleerden. Dat maakt je bescheiden. Dat leert je bidden om te worden vervuld met geestkracht, telkens weer.

‘Hij roept ook ons, roept u en mij,’ zongen we zo straks. Dat is mooi, dat is práchtig, dat deze God de Heer zich zo met mensen verbindt dat Hij in mensen zichtbaar wordt. Dat wij die mensen zijn…

Amen