Het doel van ons gemeente-zijn is dat we als gemeente(leden) groeien in de verborgen omgang met God, groeien in de onderlinge gemeenschap, samen één zijn in veelkleurigheid, verbonden met, gastvrij naar en dienstbaar aan de samenleving en de wereld.

2 oktober 2011

lezingen:
Jesaja 5: 1-7
Matteus 21:33-43

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Afgelopen zomer liep ik op een broeierig warme dag in Zuid-Limburg langs een wijngaard. Het geheel werd omsloten door muren, met stenen onder de druivenplanten, zodat de warmte goed vastgehouden kon worden. Het was nabij het kerkje van de kluizenaar St. Gerlach in Houthem en het chique hotelkasteel Chateau Gerlach. Een betere plaats kun je je haast niet wensen. Ik heb niet veel verstand van druiven verbouwen, maar aan de struiken kon ik wel zien dat er met zorg en aandacht aan gewerkt was. Geen onkruid te zien en geen loze takken. Alles zag er pico bello uit. Hoe de wijngaard er nu uitziet, weet ik niet, maar ik stel mij zo voor dat het zonnige weer van de afgelopen dagen de wijnbouwer goed uitkomt. Zijn of haar oogst zal hopelijk goed zijn!

Oktober is traditioneel gezien de maand van de oogsten. Je hebt je ergens voor ingezet, je inspanningen worden zichtbaar. Je hebt met hart en ziel ergens aan gewerkt, je hebt er alles aan gedaan en dan je hoopt op een goede opbrengst.

Een goede oogst is niet vanzelfsprekend. Ondanks alle inspanningen blijft de verwachte oogst uit, ook dat is de realiteit. Je doet wat je kan om er iets moois van te maken, toch loopt het mis. Met grote inzet actief zijn voor een wereld van gerechtigheid. Je doet er alles aan om de roep om recht en vrede stem te geven, toch vind je geen gehoor. Groot de inzet… zure druiven de oogst.

De lezingen van vandaag brengen ons in de wijngaard. Om te beginnen de profeet Jesaja. Het lied van de wijngaard komt vermoedelijk uit de tijd van het loofhuttenfeest, het feest van dankbaarheid voor de oogst. Het is voorstelbaar dat Jesaja in de vreugde over het behaalde resultaat dit lied heeft gezongen. Een lied waar hij zijn publiek – op niet mis te verstane wijze – onverwachts in betrekt. Het begint met een prachtige schets: Op een berghelling ligt de hooggelegen wijngaard,losgemaakte grond, de beste planten staan er, beschenen door de zon, door de wind omspeeld, goed voorzien van regen, beschermd tegen dieven en vee, muren en hekken zijn geplaatst, een wachttoren gebouwd. Als ik mijn ogen sluit, zie ik de Limburgse wijngaard van mijn wandeling zó voor mij.

De wijngaardenier, de Eeuwige, heeft er alles aan gedaan om het goed te doen zijn en terecht zijn er dan ook hoge verwachtingen. Hij ziet uit naar de zoete druiven: vruchten van eerlijkheid, vrede en recht. Het tegendeel blijkt waar. In het lied neemt Jesaja ons mee naar de realiteit. De eigenaar van de wijngaard wandelt door een landschap van teleurstelling, het landschap van leugen, oorlog en onrecht, kapotte stenen, doornen en distels, zure druiven. “Mensen, geef me eens wat goede raad. Wat had ik nog meer aan mijn wijngaard moeten doen? Wat heb ik te weinig gedaan?”Opvallend dat de heer van de wijngaard de waarom-vraag aan zichzelf stelt, en niet onmiddellijk de klacht, de oorzaak van de slechte oogst bij een ander legt.

Jesaja profeteert het antwoord van de heer van de wijngaard. Vernietiging: vuur, verwaarlozing, verdroging.De wijngaard gaat er aan kapot. Het is bij profetieën altijd spannend hoe je dergelijke onheilsprofetieën moet verstaan. Ik hoor in de uitspraken van Jesaja een provocatie, om zijn hoorders uit de tent te lokken en tot een reactie te bewegen. Als je je niet verandert, ben je hiernaar op weg.Is vernietiging wat jij wil?

Bij de evangelist Matteus klinkt het lied van de wijngaard van Jesaja in de vorm van een gelijkenis. Ook daar een vergelijkbare situatie van teleurstelling: wijnbouwers die de vruchten niet af willen staan.

Voor alle duidelijkheid: we hebben hier te maken met een gelijkenis van tweeduizend jaar oud. Een tekst waarvan we inmiddels weten dat ze in de loop der eeuwen het joodse volk veel kwaad heeft berokkend. Laten we helder houden dat Matteüs toen hij deze woorden aan het papier toevertrouwde geen antisemiet was. Hoe zou dat ook kunnen? Hij was naar alle waarschijnlijkheid zelf een jood. Zijn kritische uitlatingen hebben dan ook niets met haat tegen zijn eigen afkomst te maken. Matteüs zag de toenemende spanning en verwijdering tussen joden en christenen en daar leed hij aan. Hij wilde niets anders dan dat zij met elkaar in dialoog zouden blijven.
De gelijkenis is een gedeelte van het antwoord dat Jezus geeft op de vraag van de schriftgeleerden van wie hij zijn bevoegdheid heeft. In Jeruzalem, ná de intocht op een ezeltje – het verhaal van Palmzondag, met een hele stoet mensen die achter deze rabbi aantrekt, staat het gezag van Jezus ter discussie. Het is dan ook een gesprek op het scherpst van de snede.Jezus maakt opnieuw duidelijk dat hij in de lange traditie van profeten staat, die God naar Israel stuurt om naar de vruchten van de wijngaard te vragen.

“Er was eens een landheer die een wijngaard aanlegde en hem omheinde…” Opnieuw klinkt dat lied van Jesaja. We kunnen ervan uitgaan dat de hoorders van toen dat lied onmiddellijk herkennen, het zet hen direct op scherp. De landheer graaft een kuil voor de wijnpers, bouwt een uitkijktoren, verpacht de wijngaard, en gaat op reis. Tegen de tijd van de druivenoogst stuurt hij zijn knechten naar de wijnbouwers om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers grijpen de knechten en doden en stenigen hen.

In de preekvoorbereidingsgroep hebben we stil gestaan bij de vraag waarom de pachters direct met zoveel geweld op de knechten van de heer reageren. Ik moet zeggen dat we er niet direct goed uitkwamen. Is dat de kwade inborst van de mens? Of hadden zij gedacht dat het hun oogst was, en niet meer van de eigenaar. Ja, en als er dan iemand komt om de oogst op te halen… dan slaat de vlam in de pan. Vruchten van vrede, gerechtigheid, dat is een oogst die groter is dan alleen voor de pachters bestemd. Opnieuw stuurt de landheer knechten en ook zij bekopen het met de dood. Het is een motief dat ons uitgelegd moet worden, maar voor de mensen toen was dat zonder meer duidelijk: In de geschiedenis van het volk Israël heeft God herhaaldelijk zijn profeten gezonden om op te roepen tot bekering maar zij stuiten op grote weerstand. Vele profeten zijn mishandeld en gedood. En dan – hoogst opmerkelijk – die derde missie, de landheer stuurt zijn zoon. Hem zullen zij ontzien. Nee dus. En waarom niet? Als de zoon komt, betekent dit dat de heer zelf gestorven is. Volgens de geldende regels valt de wijngaard aan de pachters toe als ook de zoon er niet meer is. De wijnbouwers grijpen hem vast gooien hem buiten de wijngaard neer en doden hem.

Op dit dramatische hoogtepunt breekt Jezus zijn verhaal af en stelt de confronterende vraag: “Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat moet hij dan volgens u met de wijnbouwers doen?” Het antwoord is er meteen: “Ombrengen natuurlijk, en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers, die de vruchten wel afdragen.” Ik weet niet waar u aan denkt als er staat ‘andere wijnbouwers’. Wie zijn dat? Er kan verschillend gedacht worden over wie dat zijn. Zolang we maar niet antwoorden dat met die anderen ‘de kerk’ of ‘ de christenen’ bedoeld wordt, is alles goed. Want die mooie wijngaard in deze gelijkenis staat niet alleen voor Israël, juist ook voor de wijde wereld waar het Koninkrijk van God werkelijkheid kan worden. Terug naar de vraag: Wat zal de landheer doen? Als we tot ons door laten dringen dat in deze gelijkenis God de landheer is, en de ‘zoon’ Jezus, dan is het doden van de zoon een onheilsdaad van mensen, een daad van verzet tégen God, tégen de wijngaard, tégen de oogst van vrede, liefde en gerechtigheid en tégen het koninkrijk van God. Als we ons daarbij realiseren wat er ná de dood van Jezus is gebeurd, dan zien we dat de Barmhartige God niet heeft gedaan wat deze gelijkenis suggereert, of wat het antwoord van de omstanders is. Sterker nog: God heeft het omgekeerde gedaan. God heeft zijn Zoon opgewekt uit de dood. Dit wonderlijke handelen van de Barmhartige God is door de evangelisten – schrijvend vanuit de ervaring van Pasen – op schitterende wijze verwoord met het citaat uit Psalm 118: “De steen die de bouwlieden afgekeurd hebben, deze is tot een hoeksteen geworden; Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien”

Wat heeft God met de mensen gedaan, die zijn Zoon hebben gedood? Wat heeft God met de discipelen gedaan die zijn Zoon in de steek hebben gelaten? Wat heeft God met de mensen van vandaag gedaan, die…Het antwoord ligt geheel in de lijn van de gelijkenis, van de eerdere reacties van de landheer van de wijngaard: God heeft Jezus opnieuw naar de mensen gezonden als de opgestane. de opgewekte Heer, de Levende. Zoals de landheer van de wijngaard telkens opnieuw knechten zendt naar de wijnbouwers – ondanks hun handelen – om de vruchten op te halen. Dit is het allergrootste wonder: niet dat God verder gegaan is met Jezus, zijn Zoon, maar dat de Barmhartige verder is gegaan met ons. Opnieuw en opnieuw. Groot is zijn inzet voor ons. De Barmhartige verwacht er veel van. Hij ziet uit naar de oogst. Hij hoopt van ons, in ons dagelijks leven, die meest kleine gebaren van vrede, recht en ontferming laten zien aan elkaar en de wereld. Tekenen van hoop, tekenen van zijn Koninkrijk. Hij hoopt op die zoete druiven. Amen