Het doel van ons gemeente-zijn is dat we als gemeente(leden) groeien in de verborgen omgang met God, groeien in de onderlinge gemeenschap, samen één zijn in veelkleurigheid, verbonden met, gastvrij naar en dienstbaar aan de samenleving en de wereld.

4 augustus 2013

Gemeente,
Met het luisteren naar, het in je opnemen van en je vereenzelvigen met psalm 16, betreden we het land van onze geest, maken we als het ware een reis naar ons geestesrijk, naar de wereld van onze ziel, onze binnenwereld. In eerste instantie komt het daar allemaal wel bekend voor, lijkt het in die binnenwereld wel wat op de, laten we zeggen ‘gewone’ wereld, de wereld van alledag. Dezelfde woorden, dezelfde beelden. Maar al spoedig merken we dat het daar toch allemaal wat anders is, het gaat er in die wereld van onze geest, daar waar onze dromen zichafspelen en de geloofsverhalen, anders aan toe: de zon kan stil staan, een ezel kan spreken, een dode wordt levend, alle mensen worden aangesproken ieder in hun eigen taal. De gewone vanzelfsprekendheden ontvallen; wat normaal is, wordt vervangen door het verwonderlijke. Wat logisch is staat niet vast en waar je niet aan zou denken, gebeurt of moet. Dat is de wereld van miktam, het onzegbare, het onvertaalbare en toch zo door en door reële, als raakten we verzeild in een betoverde wereld of in een droom; dromen, die op het moment van het dromen zelf zó vanzelfsprekend zijn. Maar pas na het ontwaken zeggen we: ‘Wat was dat vreemd; wat was dat een vreemde droom!’ En de verwondering, de fascinatie maar ook de huiver die ons bevangen, maken dat de woorden die we daarover te zeggen hebben niet anders dan de vorm kunnen hebben van een gebed, een loflied, een rouwklacht of een roep om hulp. Het is daar zo anders: waar moeten we heen?; Wat zullen we kiezen? Geen oriëntatie of geen houvast: en dat maakt onzeker, angstig, weerloos. Dus psalm 16 begint, nadat we begonnen zijn met mikktam van of voor David, meteen al met ‘Behoed mij!’. ‘Laat mij schuilen’. ‘Behoed mij, God, bij U schuil ik’.
Er wordt daar iemand aangesproken, kennelijkm is daar iemand: Heer, U bent mijn Heer. Heer, God, ook ogenschijnlijk bekende en vertrouwde woorden. Zo vaak op de lippen, zeker als gelovige. Maar net als miktam: Als we eerlijk zijn,we weten het niet. Je kan wel denken dat je weet wat je bedoelt als je ‘Heer’ of ‘God’ zegt, dat we dat zo geleerd hebben en dat dan als vanzelfsprekend uitgangspunt aannemen: maar …….. we weten het niet.
Het is u al zo vaak gezegd: je kan naar de vier letters van de Godsnaam niet vaak genoeg kijken, maar de traditie, of zeg maar Bijbels wijsheid, zegt: spreek ze niet uit, want voor dat je het weet zou je gaan denken dat je het ook weet. Je kijkt naar die letters, die letters die geschreven staan voor je ogen zijn, of die je in gedachten voor ogen houdt. Dus in die zin zijn die letters er, ze vormen een werkelijkheid, een geschreven werkelijkheid. En door alles wat er ons over die letters is gezegd en al de, ons vertelde, verhalen die rond die letters verzameld zijn, in de Bijbel en christelijke traditie, én door alles wat we zelf in de loop van ons leven besproken en overdacht hadden, doen die letters ons wat, die werken op je in. Díe letters, die van de Gods Naam, gaan over het goede, het goede dat ook of juist woont in dat land van onze geest, onze binnenwereld. En de naam van wie of wat daar woont betekent: ik ben die ik ben; dat wat zich in onze binnenwereld manifesteert als zijnde. En wat dat dan is of wie dat dan is, dat weten we dus niet, maar het is er wel! En we zeggen ‘Mijn God’ of ‘mijn geest’ of ‘mijn ik’, kortom ‘mijn wezen’, – dat mag allemaal – maar het is onvertaalbaar, net als miktam. En wat miktam ook betekent, het is een prachtige psalm, die ons wel wat doet en ons aanspoort te handelen in de Geest van ‘Ik ben die ik ben’.
En nu zeggen we met het goede ook geluk ‘U, mijn geluk’, dat is overweldigend. Dus zeggen we er meteen bij: ‘Niets of niemand gaat u te boven’.
En zodra je hebt gezegd: ‘Dat gaat over het goede’, dan weet je ook, dat er een andere kant moet zijn, dat er ook letters zijn die niet naar het goede verwijzen, maar naar het kwade, het Boze, de Boze. Die zitten ook in ons wezen. Heus, we zijn niet beter dan Absalom, of iemand die roept: kruisigt hem, of schamper opmerkt: Die praat alleen maar wat over zichzelf; Ja: ook dat huist in onze geest, is onderdeel van wie wij zijn. En die noemen we ‘goden’ en ‘machten’, al die dingen waar we vroeger aan vastzaten, nog steeds wel natuurlijk, maar waar we los van willen komen, onze kinderachtigheden, kleinzieligheden, ijdelheden en snel gekrenkte trots, hebzuchtigheden, dwingelandijen, afgunsten, al die dingen die je in jezelf wil overwinnen, achter je wil laten, waar je, zeg maar, geen bloed, geen offerbloed meer voor wil plengen, dat wiol zeggen: geen energie meer in wil stoppen, waarvan je de naam ook absoluut niet meer in je mond of gedachten wilt hebben.

En dan, …..dán blijkt dat dat land van onze geest een lieflijk land is, een heel bezit, het enige bezit, waarvan te genieten valt als het drinken uit de levensbeker, een stroom van gelukzaligheden, onze bestaansgrond gedragen in Gods handen, het werk van zijn handen, rotsvaste bodem. Dan zijn we verrukt, blij met wat ons is toebedeeld, over dit stuk grond, dit erfdeel, dit lichaam, deze identiteit, zodat een ieder, hoe verschillend ook, qua geslacht, qua kleur, qua cultuur en tijdsgewricht kan zeggen: ik ben die ik ben. Geen zoetsappige,ogenschijnlijke of onderdanige tevredenheid: ‘het houdt niet over maar vooruit!’ of verterende jaloezie op het erfdeel of zó zijn van anderen. Nee, dat is dan ook een uitzonderlijk waarde, het vermogen tevreden te zijn met wat je werd gegeven, wat je bent, deze plek op aarde, dit lichaam, deze persoon; méér dan tevreden: verrukt, een bewustzijn, een inzicht van ‘Dit ben ik’ , ‘Ik ben die ik ben’, Dat wordt gezegd als het ware vanuit je allerbinnenste, je nieren – zetel van ons geweten – en die blijven spreken, ook in de nacht. En van zulk bewustzijn gaat werking vanuit, scheppingskracht, het vermogen iets te betekenen in deze wereld, voor anderen, je naasten.

Hoe zulk vermogen tot stand komt? Dat is ….. een kwestie van kijken, een beeld voor ogen hebben, een inspirerend beeld voor ogen nemen. Godsbeeld, zelfbeeld, dat loopt allemaal door elkaar, weergave van het goede. Om het goede te doen heb je een goed beeld voor ogen nodig, zoals een baby met de ogen dat goede beeld van de moeder, de vader opzoekt, om op den duur een eigen zelfbeeld te kunnen ontwikkelen, naar hun beeld en gelijkenis.
Zo’n verinnerlijkt zelfbeeld geeft onwankelbare steun, onverwrikbare zekerheid. En dat betekent vreugde en jubel. Diep verankerd in ons lichaam, in ons wezen, veilig en beschut. Zo diep: daar kan geen dood tegen op. Dat is groter dan alle tijdelijkheid. Eeuwige aanwezigheid. Eeuwig leven. Lieflijke plek, paradijs. En daar eindigt psalm 16 dan ook mee, een besef dat dat een waarde is die boven de tijd uitstijgt, boven de aarde, hemels. Dat is leven, dat wijst de weg naar het leven, Geest die naar het leven leidt.
Zo tot het leven geraken komt tot stand door het goede beeld voor ogen, een sprekend beeld: Wie mij ziet heeft de Vader gezien. Ik ben het licht dat naar de wereld komt, ja, dat je dat kan na-zeggen: ik ben een licht dat naar de wereld komt. (zeg het maar eens bij jezelf: ik ben een licht dat naar de wereld komt……Wat roept dat op?) Met zulk beeld voor ogen. Zonder zo’n beeld gaat het niet, zonder beeld van het goede gebeurt als vanzelf het kwade. In een andere psalm, psalm 86, vertelt David hoe hij bedreigd wordt door boosaardigen en kwaadwillenden, Saul en Absalom, en dan zegt hij ook: zij houden u niet voor ogen. Dat is het kenmerk van die eerder genoemde goden en machten, in ons: die houden God niet voor ogen. Het goede beeld is een tegenwicht tegen de vanzelfsprekendheid van het kwaad. En wat zit er in dat goede beeld, vervolgt David in die psalm 86: liefdevol, genadig, geduldig, trouw, waarachtig. Dát beeld halen we diep uit onszelf, diep uit die bodem van ‘ik ben die ik ben’ omhoog. Wonderbaarlijke ervaring, miktam. Voorheen vertaalden we dat dan maar met ‘kleinood’. Dus luister nog maar eens een keer, want echt, het is een kleinood, deze psalm 16.